Popmuziek in Maastricht?

Maastricht, de stad die we vooral kennen van culturele evenementen als het Carnaval, de Tefaf, Andre Rieu op het Vrijthof en op hetzelfde plein het jaarlijkse eetfestijn het Preuvenemint. De stad waar popmuziek hoofdzakelijk als herrie ervaren werd en de norm voor geluidsoverlast vooral bij popconcerten streng nageleefd werd, althans zo leek het.

Voor een beetje popconcert moest de Maastrichtse muziekliefhebber vroeger afreizen naar Heerlen, naar poppodium Nieuwe Nor of het Parkstad Limburg Theater waar, anders dan in het Theater aan het Vrijthof wel regelmatig een popconcert georganiseerd wordt. Daar is sinds de komst van de Muziekgieterij een eind aan gekomen. Met slechts een handvol FTE’s en dito vrijwilligers proberen ze tegenwoordig aan de Boschstraat in Maastricht een popzaal te runnen in de stad. Met succes. Allereerst in het oude L1 gebouw aan de Bankastraat, nu in de Timmerfabriek aan de Boschstraat waar grootse plannen voor verbouwing zijn met als resultaat de bouw van verschillende zalen met een capaciteit tot wel 1100 bezoekers. Eindelijk, na het sluiten van de Berchmans sociëteit in 1972, de Kombi in 1980, het in 2006 ter ziele gegane Nightlive op de Kesselkade en natuurlijk de sluiting van Backstage aan de Tongerseweg, heeft Maastricht een poppodium dat uitgebouwd wordt tot een volwaardige poptempel.

Maar….. een popzaal is natuurlijk niet genoeg als we het hebben over popcultuur in een stad. Een podium is heel belangrijk omdat het de etalage is van popcultuur, maar zorgt niet voor het ontstaan van een popcultuur met actieve deelnemers. Om eenmaal op dat podium te komen moet er heel wat gebeuren. Ik geloof persoonlijk niet zo in het subsidiëren van popmuziek an sich, wel in het stimuleren er van door het ter beschikking stellen van een infrastructuur. Net als bij een bedrijventerrein waar de overheid zorgt voor het wegennet en vervolgens bedrijven zich gaan vestigen in het gebied. Logisch, als er wegen liggen in een logistiek verantwoord, en commercieel interessant gebied komen de bedrijven vanzelf wel. Dat is niet anders met popbands, creëer een goede voedingsbodem en de bands komen wel.

Goede popmuziek is doordrenkt met het leven. Om bands enkel geld te geven werkt niet en zal geen inspiratie opleveren. Onderdak geven en de kans om met gelijkgestemden in een bruisende omgeving hun ding te laten doen, wel. Leg een culturele infrastructuur aan en biedt bands onderdak in een inspirerende omgeving. Zorg dat er gas, water en licht is en een bodem voor inspiratie, de optimale voedingsbodem voor cultureel emplooi. Dat kun je als overheid wel subsidiëren.

Die infrastructuur bestaat niet alleen uit een poppodium, maar ook uit repetitieruimtes. En dan bedoel ik niet lege, sfeerloze zalen in een buurtcentrum, maar ruimtes met een goede akoestiek,  in een prettige omgeving met de mogelijkheid tot coaching en vooral: waar ook andere muzikanten zijn zodat er een echte broedplaats kan ontstaan. Ook zou Maastricht eens wat soepeler om kunnen gaan met vergunningen, zodat het de vele cafés in de stad wat makkelijk gemaakt wordt om live muziek te programmeren. Of, in een breder perspectief: een podiumcircuit opzetten met andere initiatieven in Limburg en daarbuiten.

Waarom zou je eigenlijk als overheid geld stoppen in een popcultuur? Omdat het geld oplevert en tevens een groot maatschappelijk belang dient. We moeten eens af van het cultuur-als-kostenpost-beeld. Popmuziek kan van serieus economisch belang zijn voor een stad, mits er een uitgebalanceerd beleid aan ten grondslag ligt.

Neem popstad Den Haag bijvoorbeeld. LAgroup uit Amsterdam, het bureau dat ook door de stad Maastricht is ingehuurd om de huidige vraag naar repetitieruimtes te onderzoeken, heeft een onderzoek naar het economisch belang van popmuziek in de stad Den Haag uitgevoerd. En wat bleek: popmuziek was vorig jaar goed voor een omzet van maar liefst 51 miljoen euro in die stad. Bezoekers van horeca gelegenheden zonder podia gaven € 12 per persoon uit, met podia was dat € 20,50. In totaal was popmuziek goed voor ongeveer 1200 banen in de stad Den Haag.

Maar het gaat niet enkel om geld. Een goede infrastructuur voor het ontwikkelen en uitvoeren van culturele activiteiten vormt de basis van een levendig cultureel klimaat. Een passief cultuuraanbod, maar zeker ook actieve deelname door ‘Mestreechteneren’, ‘nieuwe Maastrichtenaren’ en bezoekers maken de stad aantrekkelijk als woon-, studeer- en vestigingsplaats en zorgen voor een vitale economie. Niet alleen zal een goede culturele infrastructuur ervoor zorgen dat creatief getalenteerd en geschoold personeel emplooi zal kunnen vinden in de stad en daardoor niet wegtrekt naar de randstad, ook ligt er een duidelijk belang voor de grote spelers in de stad op het gebied van onderwijs (hoge school en universiteit), bedrijfsleven en overheid om hun medewerkers en studenten het cultuuraanbod te bieden dat hoort bij een stad van het formaat en het elan van Maastricht. Cultuur heeft een hoge maatschappelijke waarde en is de basis van persoonlijke ontplooiing. Het versterkt de lokale gemeenschap en stimuleert samenhang door beleving te delen, elkaar te ontmoeten, aan te vullen, te ontroeren, samen te werken en te ontdekken. Die kwalitatieve effecten zouden de stad heel wat waard moeten zijn.

De gemeente Maastricht onderkent die visie en stelt in haar nota stadsvisie van enkele jaren geleden nog: “De stad heeft een rijk cultureel aanbod en gaat de komende jaren enorm bouwen aan haar culturele infrastructuur. Daarmee wordt de claim ‘Maastricht cultuurstad’ relevant. Dit imago leidt tot investeringen en immigratie van kenniswerkers, innovatieve bedrijven en verblijfsbezoekers”. Geef daar nu eens handen en voeten aan.

André Rieu en het Preuvenemint zijn absoluut van groot belang voor de stad en moeten beslist een prominente plek blijven houden in het Maastrichtse culturele leven, maar er is nog zo veel meer te ontginnen. Laten we dat potentieel ook gaan uitbouwen en cultuur echt iets maken van en voor alle mensen in de stad.

Lucas Vroemen

Bankastudios Maastricht

©2019 Bankastudios Maastricht